Home > Cursusaanbod > Materiaal en rapportage > Conserveren voor archeologische depotbeheerders

Conserveren voor archeologische depotbeheerders

Archeologische vondsten zijn samen met de sporen en structuren, de belangrijkste bron van informatie over een site. De sporen en structuren zijn in het veld analoog en/of digitaal vastgelegd en daarna verdwenen. De verzamelde objecten zijn feitelijk de enige fysieke overblijfselen van de vindplaats.

Niet alle vondsten zijn in een goede conditie als ze uit de grond (of het water) komen. Dat kan liggen aan de vondstomstandigheden of aan het materiaal zelf. Objecten kunnen geheel of gedeeltelijk aangetast, beschadigd of vergaan zijn. Het kan ook zijn dat een voorwerp heel en goed bewaard lijkt, maar in korte tijd na opgraven toch sterk achteruit gaat. Het is dus van essentieel belang dat er goede procedures en richtlijnen zijn voor de handelingen in het veld, de tijdelijke en langdurige opslag, de vondstverwerking en de conserveringsbehandeling én dat die ook gevolgd worden. Voor degene die verantwoordelijk is voor het bewaren van archeologische voorwerpen, zowel tijdelijk als langdurig, is het belangrijk om kennis te hebben van bovenstaande processen, handelingen en behandelingen. Niet alleen om de mogelijkheden en de beperkingen ervan te weten, maar ook de gevolgen ervan op langere termijn.

In de  KNA 4.1 (Land- en Waterbodems) zijn in BRL 4000 specificaties opgenomen waarin iets over de (be)handeling van vondsten beschreven staat: OS11 Lichten, verpakken, tijdelijk opslaan en conserveren van vondsten en monsters is vrij uitgebreid per materiaalcategorie en OS16 Conservering van vondsten en monsters behandelt zeer kort de eisen aan conserveren.

In protocol 4010 zijn specificaties opgenomen over het ontvangen, opslaan en ontsluiten van de vondsten: DS03 Aanleveren en in ontvangst nemen van vondsten en monsters, DS04 Eisen aan de opslagruimte van het depot en DS06 Toegankelijkheid van vondsten, monsters en projectdocumentatie in het depot.

Diverse KNA leidraden Specialistisch onderzoek geven informatie over de (be)handeling van vondsten, zoals de waaier Leidraad Eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal en de nieuwe Leidraad Metaalvondsten. Er zijn depots die aanvullende eisen stellen aan de levering van vondsten en monsters.

Het programma

Cursustijden: Ontvangst: 9.30 uur
Duur: 10.00 – 17.00 uur

Theorie: Powerpoint-presentatie. Degradatieprocessen bij kwetsbare vondsten, toelichting op en toepassing van de richtlijnen voor actieve en passieve conservering. Voor- en nadelen van verschillende conserveringsmethoden gebruikt in het heden en het verleden. Overleg- en beslismomenten waarop bepaald wordt welk traject gevolgd wordt. Verantwoorde keuzes maken voor toekomstig onderzoek en bewaren.

Praktijk [in depot]: Zelf bekijken en beoordelen van (geconserveerde) archeologische voorwerpen. Herkennen van schadelijke processen en bepalen wanneer een (externe) conserveringsspecialist moet worden ingeschakeld. Conserveringsrapporten lezen en beoordelen. Verpakken, tijdelijke opslag, in het definitieve depot bewaren en monitoring van de collectie / het opstellen van een “patiëntendossier”.

Doelgroep

Deze cursus is ontwikkeld voor iedereen die met het duurzaam ex situ bewaren van vaak (kwetsbaar) organisch en anorganisch vondstmateriaal te maken gaat krijgen of dat al heeft in de AMZ-cyclus. Dat zijn bijvoorbeeld:

-           transito-depotbeheerders van een archeologisch onderzoeksbedrijf, die verantwoordelijk zijn voor het tijdelijke depot tot en met deponering;

-           depotbeheerders van een gemeentelijk of provinciaal depot en collectiebeheerders in een museum die (nieuwe aanleveringen van) de collectie administreren, controleren en verantwoordelijk zijn voor duurzaam ex situ behoud;

-           Archeologen en specialisten die hun kennis op het gebied van conserveren willen vergroten.

Doel

Grip krijgen op de conservering van archeologische vondsten in relatie tot depotbeheer.

Je leert tijdens deze cursus hoe organische en anorganische materialen zich in de bodem of het water gedragen, welke vervalmechanismen er zijn en hoe ze van invloed zijn op de conditie van kwetsbare vondsten.

Je leert beter werken met de richtlijnen om met een geschikte opslag (preventieve of passieve conservering) en planning degradatieprocessen na opgraven tijdelijk zoveel mogelijk te vertragen of te stoppen, zodat de vondsten door specialisten onderzocht en geconserveerd kunnen worden (actieve conservering).

In dit kader is ook ‘goed opdrachtgeverschap’ belangrijk bij het uitbesteden van actieve conservering. Weten wat je vraagt en aan wie je dat vraagt. Net zo belangrijk is het beoordelen van een conserveringsbehandeling. Weten wat je krijgt en wat je ermee kunt. Conserveren van archeologische vondsten mag alleen door een geregistreerde KNA Conserveringsspecialist worden uitgevoerd en hangt mede af van wat het doel van het behoud van het voorwerp is. Kernbegrippen zijn hierin onder andere: duurzaamheid, reversibiliteit, authenticiteit, behoud van sporen van fabricage en/of gebruik, herkomstonderzoek, presentatie en maatschappelijk belang.

Je leert helder en tijdig communiceren over de (keuze van) conservering, die op diverse momenten in het proces onderwerp van gesprek (of discussie) kan zijn. Verbeteren van de dialoog tussen de verschillende partijen hierover draagt bij aan wederzijds begrip en het maken van weloverwogen keuzes.

Je krijgt als deelnemer van de cursus de tools aangereikt om een goed gedocumenteerd conserveringsrapport (vereist) bij deponering te beoordelen en te gebruiken als nulmeting voor monitoring van de voorwerpen (“patiëntendossier”).

Je leert problemen te herkennen bij archeologische vondsten die (her)behandeling nodig hebben en hiervoor de juiste specialist inschakelen.

Cursusdata, locatie en kosten

Datum: nader te bepalen
Studielast: 1 dag
Docent: Karin Abelskamp
Locatie: Leiden
Kosten: € 450,- per persoon voor 1 dag (exclusief BTW).